De Innerlijke Ervaring: kritiek op het ‘instrumentele leven’


Ik wil niet meer, ik zucht,
mijn gevangenis
kan ik niet meer lijden.
Ik zeg dit bitter:
woorden die mij verstikken,
laat me,
laat me los,
ik dorst
naar iets anders.
Ik wil de dood
deze heerschappij der woorden
niet aanvaarden,
aaneenschakeling
zonder vrees,
zo dat de vrees
begerenswaardig is;
het is niets
dit ik dat ik ben,
slechts
laffe erkenning
van wat is.
Ik haat
dit instrumentele leven,
ik zoek een barst
mijn barst,
om gebroken te worden.
Ik houd van regen,
bliksem,
modder,
een wijde watervlakte,
het diepst der aarde,
maar niet van mij.
In het diepst der aarde,
o mijn tombe,
verlos mij van mij,
ik wil het niet meer zijn.

(i.e 86,87)


Met het ‘instrumentele leven’ doelt Bataille op een complex aan verschijnselen die de ‘moderne’ samenleving sinds de ‘verlichting’ kenmerken, het geloof in; de wetenschaptaal als medium van deze wetenschap, de mogelijkheid het onbekende uit te bannen, het planmatige bestaan, het streven naar comfort, de vooruitgang (als een opgeblazen drang te overleven), het vermijden van dood en angst, het geloof in een vaststaand ‘ik’.
Tegenover deze ‘verlichting’ stelt Bataille de nacht van het niet-weten.


De Innerlijke Ervaring: kritiek op mystiek, religie
Bataille wijst het instrumentele bestaan af zonder ‘terug’ te willen naar mystiek of religie. In (veel) mystieke tradities bestaat een streven op te gaan in ‘het al’. Volgens Bataille is dit dromerij:

Ik wilde alles zijn: wanneer ik bezwijm in deze leegte maar, mijn moed bij elkaar rapend, tegen mijzelf zeg: “Ik schaam me dat ik alles heb willen zijn, want dat was slapen zo zie ik nu in”, vanaf dat moment begint een bijzondere ervaring (i.e. 22).

In het christendom blijft van het streven alles te worden, het geloof in een alwetende God over (waarmee de gelovige zich stiekem identificeert).
Ook dit wijst Bataille af, maar hij voelt zich zeer aangetrokken tot de notie van het offer in diverse religies; van de mens die zich aan de goden offert (inca’s), tot God die zijn zoon offert (Christendom), tot God die (daarmee) zichzelf offert (Nietzsche).
In het werk van Bataille is God aanwezig als een afwezigheid, een lege plaats, een opening:

Steeds verder geworpen in de afgrond van de mogelijkheden, zich haastend naar een punt waar het mogelijke het onmogelijke zelf is, extatisch, hijgend, zo opent de ervaring iedere keer weer iets verder de horizon van God (de wond) (i.e. 137,138).


De Innerlijke Ervaring - is eenvoudigweg (?) zijn

De ervaring is het tot vraag maken (op de proef stellen), in koorts en in angst, van wat een mens weet van het feit dat hij is (i.e. 28).

Deze ervaring is niet vast te leggen in taal (zoals de wetenschapper zou willen). Bataille vervolgt:

Welk begrip hij in deze koorts ook moge ontvangen, hij kan niet zeggen: "Dit heb ik gezien, wat ik zag is zo", hij kan niet zeggen: "Ik heb God gezien, het absolute of de grond der werelden, hij kan slechts zeggen "Hetgeen ik zag onttrekt zich aan het verstaan (i.e 28).

De taal zou een houvast bieden, terwijl Bataille iedere verbinding tussen de innerlijke ervaring en iets daar buiten afwijst.

Ik kom tot het belangrijkste: men moet de uitwendige middelen verwerpen. Het dramatische is niet: zich bevinden in deze of gene toestand, die altijd een positieve toestand is (zoals bijna verloren zijn, gered kunnen worden). Het is eenvoudigweg: zijn. Wanneer wij dit zien, doen we niets anders dan met volharding de uitvluchten aanvechten, waarmee we gewoonlijk ontkomen (i.e. 36).

De innerlijke ervaring, dit ‘eenvoudigweg zijn’ beschrijft Bataille in termen als het uiterste, het onmogelijke en het onbekende.

Ervaring noem ik een reis naar het einde van het menselijk mogelijke (i.e. 30).


De Innerlijke Ervaring - een methode, een manier van schrijven
Bataille boek is te lezen als een methode om tot de innerlijke ervaring te komen. Deze methode bestaat uit de afwijzing van ieder houvast of uitvlucht, een ascese zonder heilsverwachting. Alhoewel Bataille het rationele denken, en religie afwijst, gebruikt hij elementen uit deze tradities om ze tegen zichzelf te keren. De methode die hij beschrijft is een plan tegen het plan, een taal die de taal offert.

Desondanks, hoe men het wendt of keert, de innerlijke ervaring is planmatig. Zij is het omdat de mens in zijn geheel zo is vanwege de taal, die, behalve haar poëtische perversie, planmatig is. Maar het plan bestaat in dit geval niet meer, positief, uit het heil, maar, negatief uit de opheffing van de macht der woorden, dus van het plan (i.e. 48).

In hoeverre Bataille zijn methode in zijn eigen bestaan gevolgd heeft weet ik niet. Wel heeft het een boek en een manier van schrijven opgeleverd.

Bataille’s schrijven: beelden van de innerlijke ervaring
Bataille schetst de innerlijke ervaring, dit zonder uitvlucht zijn, in een groot aantal beelden als een fysiek in de wereld zijn:

Bevend. Onbeweeglijk blijven, rechtop, in eenzame duisternis, in een houding zonder het gebaar van de smekeling: een smeekbede, maar zonder gebaar en vooral zonder hoop. Verloren en smekend, blind, halfdood. Als Job op de mestvaalt, maar zonder zich iets voor te stellen, de nacht gevallen, weerloos, wetend dat het verloren is (i.e. 61).

In zijn beelden van een fysiek in de wereld zijn, keren een aantal condities, landschappenen bewegingen regelmatig terug.

nacht / zon / niet kunnen zien

… midden in de stad had ik het gevoel de nacht te zijn, in de bergen, omringd door verlatenheden waaruit alle leven verdwenen was (l.p 119).

Ik ga tot het uiterste in mijn reflectie over het zijnde en over het onbegrip jegens zichzelf dat het zijnde kenmerkt: zo treedt ik binnen in de oneindige, besterde vlakte van de nacht (l.p. 119).

De waggelende dronkelap spelen, die langzaam zijn kaars voor zichzelf aanziet; hij blaast haar uit en, schreeuwend van angst, ziet hij zichzelf tenslotte als de nacht (i.e. 101).

Gebed om te gaan slapen: “God, die mijn inspanningen aanziet, geef mij de nacht van uw ogen, ogen van een blinde (i.e. 68).

Voor Bataille is de nacht het tegendeel van het ‘verlichte denken’, de nacht is voor hem de plaats waar alles verloren gaat, de plaats van het niet weten. Tegelijkertijd is hij gefascineerd door de zon, niet de zon die de wereld aanschouwlijk maakt, maar de zon waar je niet tegenin kunt kijken. (Hij heeft hier een gedicht over geschreven wat ik nu niet bij de hand heb.)

Niemand ziet vastbesloten in het aangezicht: de zon, het menselijk oog ontvlucht haar… Gods schedel spat uiteen… en niemand verstaat (i.e. 68).

De wanhoop is eenvoudig: het is de afwezigheid van hoop, van elke verlokking. Het is de toestand van verlaten vlakten en – zo stel ik me voor – van de zon (i.e. 65).

Beide vormen van niet kunnen zien komen samen in een uitspraak van Nietzsche.

De nacht is ook een zon.

vlakten / de oceaan / de woestijn

(…) een lege onbepaalde vlakte waarin alles verloren raakt (i.e. 156).

Bataille spreekt over de communicatie van mensen in termen van het opgenomen worden in stromen en ruimtes.

Ik ben, jij bent in de onafzienbare stroom der dingen slechts een gunstig aangrijpingspunt om op te spatten. Draal niet, word je nauwkeurig bewust van deze angstwekkende positie (...) (i.e. 128).

Nietzsche stelt in ‘Aldus sprak Zaratoestra’.

Maar waar worden uiteindelijk de golven geloosd van al wat zich in de mens als groots en subliem aandient? Is er voor deze woeste stromen geen oceaan - Wees deze oceaan: er zal er één zijn (i.e. 53).

Bataille reageert hier als volgt op.

Het zo eenvoudige bevel: “Wees deze oceaan”, verbonden met het uiterste, maakt van de mens tegelijkertijd een menigte, een woestijn. Het is een uitdrukking die de betekenis van een gemeenschap samenvat en verduidelijkt. Ik kan Nietzsche’s verlangen beantwoorden door te spreken van een gemeenschap die slechts de ervaring als doel heeft (maar als ik deze gemeenschap aanduid, spreek ik van ‘woestijn’) (i.e. 53).

afgrond / hemel

De grond zal afwezig zijn onder mijn voeten.
Ik zal onder afgrijselijke omstandigheden sterven
(i.e. 111).

Een ruimte, bezaaid met lachsalvo’s opende haar duistere afgrond voor mij (i.e. 60).

Er is in het werk van Bataille veel spraken van vallen en verglijden. Interessant is dat dit vallen niet naar beneden hoeft te zijn. Bataille is gefascineerd door het blauw van de hemel.

Wanneer ik behoedzaam in het hart van de angst, een vreemde absurditeit opwek, opent zich een oog op mijn kruin, midden op mijn schedel (i.e. 109).

Slechts door middel van een ziekelijke voorstelling – een oog dat zich op de kruin van mijn hoofd opent (…) – kan het op Aarde vergeten menselijk wezen – zoals ik mij tegenwoordig voor mezelf openbaar, hopeloos in de vergetelheid gevallen – plotseling de verscheurende val in de leegte van de hemel bereiken (i.e. 109).

instorten / fading away

Allereerst stort alles in het uiterst mogelijke ineen: het gebouw zelf van de rede, een ogenblik van waanzinnige moed, zijn verhevenheid verkwist zichzelf, wat in het uiterste geval blijft staan, als een stuk muur dat bijna omvalt, wordt groter, kalmeert het duizelige gevoel niet (i.e. 67).

(…) ik zal sterven van haat
zoals een wolk
uiteendrijft
(i.e. 137).

The Other Side
Wij deinzen terug, van het ene mogelijke in het andere, alles begint in ons opnieuw, nooit is iets uitgespeeld, echter in God: in deze ‘sprong’ van het zijn die Hij is, in zijn ‘eens voor altijd’ (i.e. 62)?

Spook in tranen
o dode God
hol oog
vochtige snor
één enkele tand
(i.e. 137).

 

Bataille’s schrijven: een poëtische beweging
Taal heeft het vermogen iets bekends in de wereld aan te duiden, het woord ‘paard’ verwijst naar het object ‘paard’ dat groot en warm is. Alhoewel Bataille deze functie van taal erkende (hij vond het ook prettig als hij een glas wijn bestelde en dit vervolgens kreeg), ervoer hij het instrumenteel gebruik van woorden tegelijkertijd als een kwelling, een gevangenis. Hij pleit daarom voor de poëtische perversie, het offer van de instrumentele kwaliteit van woorden, de beweging van het bekende richting het onbekende.

De poëzie is het offer (…) waarin de woorden het slachtoffer zijn (i.e. 172).

De poëzie leidt van het bekende naar het onbekende (i.e. 173).

De poëzie vertrekt daarmee wel degelijk uit de instrumentele betekenis van woorden.

Wanneer de poëzie het vreemde invoert, doet ze dat met behulp van het vertrouwde. Het poëtische is het vertrouwde dat zich ontbindt in het vreemde en wijzelf gaan mee (i.e. 29).

Wij worden alleen dan volkomen blootgelegd wanneer we zonder oplichterij naar het onbekende gaan. Het onbekende deel geeft aan de ervaring van God – of van het poëtische – haar grote autoriteit. Maar uiteindelijk eist het onbekende de alleenheerschappij op (i.e. 29).

Een poëtische zin van Bataille die ik hier wil noemen is de volgende.

Er is in het goddelijke een klaarheid, zo groot dat men wegglijdt naar de door de lach verlichte diepte (i.e. 59).
Hierin komen een aantal thema’s samen die al eerder genoemd zijn licht-donker, wegglijden/afgrond en God als symbool voor het onbekende.

Bataille’s schrijven: een taal tegen de taal
Foucoult schreef over het schrijven van Bataille.

Deze rotsachtige taal, deze onbuigzame taal, vol breuken, steiltes en kloven, beschrijft een cirkel doordat ze naar zichzelf verwijst en zich in zichzelf keert door te vragen waar haar grenzen liggen – alsof ze niets anders was dan een kleine nachtelijke bol die een vreemd licht uitstraalt dat de leegte aangeeft waaruit het afkomstig is en waarop het onherroepelijk alles richt wat het verlicht en aanraakt (l.p. 270).

In zijn boek mixt Bataille allerlei steilen (het filosofisch betoog, citaten, dagboekaantekeningen, gesprekken, gedichten, etnologische aantekeningen, een gebed), in korte fragmenten die hij bewust onderbreekt.

Opnieuw onderbreek ik de loop van de uiteenzetting. Ik geef er geen redenen voor… (i.e. 41).

Hij keert zich hiermee tegen de taal.

Door een ‘intieme onderbreking van elke intellectuele handeling’ wordt de geest blootgelegd. Anders houdt het betoog hem in zijn kleine verdrukking (i.e. 37).

Want de taal leidt af van de ervaring.

(…) deze moeilijkheid wordt als volgt uitgedrukt: het woord stilte is nog steeds een geluid (…) (i.e. 37).

Een taal tegen de taal, een plan tegen het plan.

Beginsel van de innerlijke ervaring: door middel van een plan buiten het domein van het plan treden (i.e. 74).

Literatuur

i.e. Bataille, Georges
1989 De innerlijke ervaring. Gooi & Sticht, Hilversum.

l.p. Kate ten, Laurens
1994 De lege plaats. Revoltes tegen het instrumentele leven in Bataille's atheologie. Kok Agora, Kampen.

terug

home