Beschrijving

Wanneer het donker wordt onttrekt de duisternis ‘de dingen’ aan het oog. s’ Nachts zie je niet veel. Toch is de ervaring van de nacht veel meer als weinig zien. Het is alsof de nacht het lichaam een nieuwe gevoeligheid geeft, alsof de nacht het lichaam opent. Ik spreek hier niet niet over het nachtleven in de stad waarbij met elektriciteit geprobeerd wordt de duisternis te verdrijven, noch over het inslapen waarbij je je van de duisternis afsluit door je ogen dicht te doen en lakens over je heen te trekken. Maar over momenten waarop je alleen in het donker, de nacht wordt. Als op Terschelling halfnaakt achter de boerderij, toen snelle wolken het dak raakten en de wind alles opende…
Filosofen, als Emmanuel Levinas, Georges Bataille en Maurice Blanchot, hebben veel over de nacht geschreven. Levinas beschrijft de ervaring van de nacht als de ervaring van het ‘er is’, Bataille situeert ‘de innerlijke ervaring’ in de nacht en Blanchot ziet de nacht als een mogelijkheid om aan ‘de waanzin van de dag’ te ontsnappen. Opvallend is dat in het werk van deze drie auteurs behalve de nacht ook ‘de ander’ een belangrijk onderwerp vormt. Naar mijn idee valt dit samengaan van onderwerpen te verklaren uit ‘de verheving van de aanwezigheid van de ander’ die in de nacht plaatsvindt. Terwijl ‘de dingen’ in de duisternis verdwijnen wordt de aanwezigheid van een ander, die op je toe kan treden, onontkoombaar. ‘s Nachts is het tijdstip voor zowel misdaad als erotiek en tederheid.
Het bevragen van de verhouding tot de ander in de nacht, is het fundamenteel bevragen van wat het is om ‘met een ander te zijn’. Bovengenoemde auteurs doen dit met verschillende conclusies. Voor Levinas is ‘het gezicht van de ander’ de grondslag voor zowel moraliteit als religie. Blanchot beschrijft de basis van iedere gemeenschap als ‘de onmogelijkheid van het samen sterven’. En Bataille probeerde, als reactie op het opkomend fascisme in de jaren dertig, een commune op te richten.
Ik geloof dat ook onze tijd vraagt om een reflectie op de vraag wat het is om met een ander te zijn. De performance ‘de Nacht, de Ander en het Onmogelijke’ vormt hier een poging toe.

Selectie van citaten met betrekking op ‘de nacht’, ‘de ander’ en ‘het onmogelijke’.

de Nacht
De nacht biedt een bijzondere ervaring. Emmanuel Levinas beschrijft deze ervaring als de ervaring van het ‘er is':

Wanneer de vormen der dingen opgegaan zijn in het donker, sluipt het duister van de nacht, noch object noch kwaliteit van een object, binnen als voelbare aanwezigheid. 's Nachts, als wij daar aan vastgeketend zijn, hebben we met niets van doen. Maar dat is niet het niets van een puur niet-zijn. Er is geen dit meer en geen dat er is geen 'iets'. Maar deze universele afwezigheid is op haar beurt een aanwezigheid, één waar je absoluut niet omheen kunt (Levinas 1988: 64).


George Bataille zoekt in de nacht naar de 'innerlijke ervaring':


Bevend. Onbeweeglijk blijven, rechtop, in eenzame duisternis, in een houding zonder het gebaar van de smekeling: een smeekbede, maar zonder gebaar en vooral zonder hoop. Verloren en smekend, blind, halfdood. Als Job op de mestvaalt, maar zonder zich iets voor te stellen, de nacht gevallen, weerloos, wetend dat het verloren is
(Bataille 1989: 61).


De ervaring is het tot vraag maken (op de proef stellen), in koorts en in angst, van wat een mens weet van het feit dat hij is. Welk begrip hij in deze koorts ook moge ontvangen, hij kan niet zeggen: "Dit heb ik gezien, wat ik zag is zo", hij kan niet zeggen: "Ik heb God gezien, het absolute of de grond der werelden, hij kan slechts zeggen "Hetgeen ik zag onttrekt zich aan het verstaan (Bataille 1989: 28).


Ervaring noem ik een reis naar het einde van het menselijk mogelijke (Bataille 1989: 30).

de Ander
Wanneer in de duisternis 'de dingen' verdwijnen, er geen 'dit' en geen 'dat' meer is, wordt de aanwezigheid van 'de ander' essentieel. Zonder de ander valt 'het ik' in slaap. Maurice Blanchot schrijft:


Een principieel gebrek ligt ten grondslag aan ieder wezen... (maar) Het wezen, zichzelf niet genoeg, is er niet op uit om zich met een ander te verbinden om een volledige substantie te vormen. Het bewustzijn van het gebrek ontstaat uit de eigen bevraging die zonder de ander of een ander niet plaats kan vinden. Alleen, sluit het wezen zich, slaapt in en wordt stil (Blanchot 1985: 14).


De substantie van elk levend wezen wordt onophoudelijk door elke andere op het spel gezet. Zelfs de blik die liefde en bewondering uitdrukt, hecht zich aan mij als twijfel aan de werkelijkheid (Blanchot 1985: 15).


Communicatie brengt het ik buiten zichzelf:


Ik ben, jij bent in de onafzienbare stroom der dingen slechts een gunstig aangrijpingspunt om op te spatten. Draal niet, word je nauwkeurig bewust van deze angstwekkende positie (...) (Bataille 1989: 128).


In de traagheid, in de gelukzaligheid, is de communicatie verstrooid: er wordt niets uitgewisseld tussen de ene term en de andere, maar tussen jezelf en een lege onbepaalde vlakte waarin alles verloren raakt. In deze omstandigheden smacht het bestaan vanzelfsprekend naar meer verwarde communicatie (Bataille 1989: 156).


Als we niet wisten te dramatiseren, zouden we niet buiten onszelf kunnen treden. Wij zouden geïsoleerd en verschrompeld leven. Maar een soort breuk - in de angst - brengt ons bijna tot tranen: dan verliezen wij ons, vergeten we onszelf en communiceren met wat aan gene zijde ligt, ongrijpbaar (Bataille 1989: 156).

Het Onmogelijke
Voor het ik vormt de ander een opening naar 'het andere', 'het oneindige', misschien naar God:

De Ander is altijd dichter bij God dan ik (Levinas 1969: 146).


Geen enkel wezen is, geloof ik, in staat om op zichzelf tot het uiterste van het zijn te gaan (Bataille 1989: 69).


Steeds verder geworpen in de afgrond van de mogelijkheden, zich haastend naar een punt waar het mogelijke het onmogelijke zelf is, extatisch, hijgend, zo opent de ervaring iedere keer weer iets verder de horizon van God (de wond) (Bataille 1989: 137,138).

De ervaring bereikt uiteindelijk de versmelting van het object met het subject, is als subject niet-weten, als object het onbekende (Bataille 1989: 33).

Het andere, het oneindige, is onbereikbaar. Wat ons rest is een gemeenschap in de nacht. Maurice Blanchot spreekt van:
Een ontmanteld gemeenschap, veel sterker nog, een 'onuitsprekelijke gemeenschap', want de verhouding die men tot elkaar heeft is die van het sterven. De gemeenschap wordt in zekere zin een gemeenschap van doden, want er is slechts werkelijk sprake van een ander in het verschijnen van zijn verdwijning. Zichzelf als stervende aan de ander presenteren en zelf voortdurend het sterven benaderen...
(Kate ten 1994: 385,386).

 

Literatuur


Bataille, Georges
1989 De innerlijke ervaring. Gooi & Sticht, Hilversum.

Blanchot, Maurice
1985 De onuitsprekelijke gemeenschap. Hölderlin, Amsterdam.


Kate ten, Laurens
1994 De lege plaats. Revoltes tegen het instrumentele leven in Bataille's atheologie. Kok Agora, Kampen.


Levinas, Emmanuel
1969 Het menselijk gelaat. Ambo, Bilthoven.
1988 Van het zijn naar de zijnde. Ambo, Baarn.

 

terug

home